Hoe Abraham Weerkamp Gereformeerd werd
Van Abraham Weerkamp is een boek bewaard gebleven waarin hij zijn naam en het jaartal 1890 schreef. Hij was toen 24 jaar. De titel is Hendrik de Cock eerste afgescheiden predikant in Nederland beschouwd in leven en werkzaamheid – een bijdrage tot recht verstand van de kerkelijke afscheiding. De auteur is H. de Cock, de zoon van de initiator van de Afscheiding en leraar aan de Theologische School in Kampen. Het gaat om de tweede herziene druk uitgegeven bij Jan Haan in Delfzijl in 1886. Het boek telt 640 met kleine letters dicht bedrukte pagina’s. Gebonden met een leren rug en een harde gemarmerde omslag. Een kloek boek zogezegd met omslachtige theologische en kerkrechtelijke beschouwingen.

Hoe kwam een 24-jarige boerenknecht met alleen een lagere schoolopleiding er toe dit boek te lezen?
Op 24 mei 1889 had hij belijdenis gedaan in de Nederduits Gereformeerde Kerk (dolerend) in Winterswijk. Jacob Marius Stroes, de vader van zijn latere vriend Karel Jan Stroes, was toen predikant in deze kerk, die was ontstaan binnen de beweging die de Doleantie werd genoemd. Voor het ontstaan van deze kerkstroming was Abraham lid van de Nederlands Hervormde Kerk. In die tijd was 23 jaar de leeftijd waarop iemand wettelijk als volwassen werd gezien en hij dus ook de toestemming van zijn moeder en stiefvader niet meer nodig had. Deze bleven ook lid van de Nederlands Hervormde Kerk. Alleen zijn halfzussen Johanna Wassink en Hendrika Willemina Wassink stapte over naar Gereformeerde Kerk.
In de tweede helft van de 19de eeuw waarin Abraham geboren werd en tot volwassen man opgroeide waren er meerdere kwesties in de protestantse kerken.
Dat begon in 1834 toen de onrust die al langer in de Nederlands Hervormde Kerk leefde zich uitte in de Afscheiding. De Nederlands Hervormde Kerk was in 1816 ontstaan als opvolger van de Nederduits Gereformeerde Kerk die al sinds de Reformatie de officiële staatskerk was. Toen na het vertrek van de Fransen de Orangisten Nederland tot een monarchie omvormden, wat het nooit eerder geweest was[1], bestuurde koning Willem I ook de Nederlands Hervormde Kerk. Hij liet een kerkorde ontwerpen en gaf koninklijke goedkeuring. In Winterswijk was de Hervormde Kerk de grootste protestantse kerk. Vrijwel iedereen in Winterswijk die niet Rooms Katholiek was werd er gedoopt en ingeschreven. In het begin van de 19de eeuw waren er ongeveer 5000 leden van de Nederlands Hervormde Kerk en 1000 katholieken. De katholieken waren tot aan de komst van de Fransen en het ontstaan van de Bataafse Republiek ernstig gehinderd in de uitoefening van hun godsdienst. Ze oriënteerden zich dan ook vaak op de kerk bij de kloosters van Burlo en van Vreden. Pas in 1799 werd een Rooms Katholieke kerk gebouwd in Winterswijk. Daarnaast bestond een kleine Doopsgezinde gemeente waarvan de leden behoorden tot de opkomende klasse van handelslieden en later de fabrikanten. Ze speelden ook een belangrijke rol in het burgerlijk bestuur. H. Willink was de eerste burgemeester (Maire) van Winterswijk. De Doopsgezinde fabrikantenfamilies zoals Willink, ten Cate, Waliën, Blijdestein uit de Achterhoek en Twente waren door huwelijk sterk met elkaar verbonden.
Verder was er een kleine Joodse gemeenschap van ongeveer 45 gezinnen.
Voor zover na te gaan waren de leden van de familie Weerkamp altijd lid van de Nederduits Gereformeerde Kerk en haar opvolger de Nederlands Hervormde Kerk.
In het midden van 19de eeuw werden ook zij geconfronteerd met opvattingen die kritisch waren op de gang van zaken in de Hervormde Kerk.
In 1834 nam ds. Hendrick de Cock in het Groningse Ulrum de leiding bij het verlaten van de Hervormde Kerk en werden er overal in het land Afgescheiden Gemeentes gesticht. De Afgescheidenen verzetten zich tegen de vrijzinnigheid in de kerk. Ze wilden terug naar de belijdenisgeschriften en de Dordtse Leerregels[2]. De Afgescheidenen en de latere Gereformeerden waren ook meer geïnspireerd door piëtistische stromingen en legden de nadruk op individuele verantwoordelijkheid en zondebesef. Steeds vaker waren er ook gemeenteleden in de Nederlands Hervormde Kerk die niet meezongen met Evangelische Gezangen die door de overheid waren voorgeschreven voor kerkdiensten.
De bundel gezangen ontmoette veel tegenstand in de gemeenten. Het gebruik ervan werd verplicht gesteld; deze verplichting werd pas in 1860 opgeheven. Soms moest de naleving van de verplichting zelfs afgedwongen worden met politieoptreden. Geleidelijk verflauwde het verzet, maar er bleef tegenstand. Ds. de Cock, de voorman van de Afscheiding verklaarde in 1834 —na zijn schorsing— dat de gezangen “strijdig waren met Gods Woord: “een Gode onbehagend getier (…), een geheel van 192 Sirenische minneliederen, geschikt om de Hervormden, al zingende van de zaligmakende leer af te trekken..”. De Afgescheidenen wilden alleen psalmen zingen zoals de Dordtse leerregels voorschreven. En dan wel op hele noten.
In Winterswijk scheidde in 1839 een groep gemeenteleden zich af van de Hervormde Kerk. Zij sloten zich aan bij de Afgescheiden Gemeente in Varsseveld die sinds 1837 bestond. In 1841 werd een eigen Christelijk Afgescheiden Gemeente gesticht. Er waren diensten bij de Roos op boerderij Honders en bij Wilterdink in Kotten. In 1844 werd de kerk op de Zonnebrink gebouwd en werd J.W. te Bokkel, nog studerend voor predikant, als voorganger aangesteld.
Door de emigratie naar Amerika in de volgende jaren werd de gemeente flink uitgedund. In de periode 1845 tot 1860 vertrok zestig procent van de gemeenteleden naar Amerika. Toen ds. de Waal in 1845 als nieuwe predikant in de Christelijk Afgescheiden Gemeente werd aangesteld bood de kerkenraad hem “fl. 320 per jaar aan contant geld en den opbrengst van het bouwland bij de Pastory buiten de Heg, de 3(de) garve met het Stroo en binnen de Heg door Zijne Eerwaarde zelf zouden bebouwd worden en den mest welke Z.E. mogt te kort komen zouden geschonken worden”. Dat vond ds. De Waal wel erg weinig – hij had gezegd fl. 600 nodig te hebben – zodat zijn verblijf in Winterswijk slechts duurde tot 20 september van het jaar daarop, 1846, toen hij afscheid nam en naar de kerk van Terneuzen en Zaamslag vertrok.

De familie Weerkamp bleef trouw aan de Nederlands Hervormde Kerk in Winterswijk.
In die kerk bleef er onrust onder de gelovigen die trouw wilden blijven aan de Dordtse leerregels. Er was bijvoorbeeld uiting van groeiende onvrede van orthodox-hervormde kerkleden over de invloed van de zogenoemde Groninger theologie. Die laatste richting streefde naar een ‘levend christendom dat verouderde leerstellingen uit de gereformeerde belijdenis overboord gooide en de Bijbel alleen erkende als een fase in Gods openbaring. Ze wenste in plaats van de kerkelijke geloofsbelijdenissen een belijdenis die alleen nog gegrond zou zijn in het evangelie.
Aan het ongenoegen en de zorgen werd uiting gegeven in artikelen in het tijdschrift Vrienden der Waarheid van de Vereniging Vrienden van de Waarheid die in 1853 was opgericht. Ook in Winterswijk was er een afdeling van de Vereniging Vrienden van de Waarheid. Dat was allemaal nog wel binnen de gelederen van de Nederlands Hervormde Kerk. Daar was men in het begin van de jaren vijftig van de 19de eeuw ongelukkig met het vertrek van de laatste orthodoxe predikant, ds. Koster, waarmee er geen verweer meer was tegen het opkomend modernisme.
De Vrienden van de Waarheid hielden ook eigen diensten. Ze gingen daarbij een samenwerking aan met de Christelijk Afgescheiden Gemeente waardoor ze gebruik konden maken van de kerk op de Zonnebrink. In deze diensten werd voorgegaan door Jan Derk te Winkel ( 1830-1896) , de zoon van de categizeermeester Jan Derk te Winkel van het befaamde dagboek[1]. Deze schreef in dat dagboek met geen woord over de activiteiten van zijn zoon of over de Vereniging Vrienden van de Waarheid. Zoon Jan Derk was voorheen godsdienstleraar geweest in Nunspeet werd in 1858 verzocht als voorganger tot de Vereniging toe te treden, maar dat beroep wees hij af. Hij werd godsdienstleraar in Vriezenveen en later predikant in Elburg. Daarna zijn er nog enkele evangelisten werkzaam geweest binnen de Vereniging zoals v.d. Thoren en Callenbach. Een andere zoon van Jan Derk de categizeermeester, Tobias, ook wel Bijes genaamd, was een drijvende kracht in de Christelijk Afgescheiden Gemeente en later de Gereformeerde Kerk. Hij was ouderling van 1862 tot 1906 en verving soms de predikant bij afwezigheid. Hij wilde maar één periode het ouderlingenambt vervullen want zijn overtuiging was dat de eerste keer de ambtsdrager door God was geroepen, maar bij herverkiezing slechts door de mensen.

De samenwerking was ook in het voordeel van de Afgescheiden Gemeente omdat die zich lange tijd geen voorganger kon veroorloven. Er kwam een einde aan in 1860 toen de Classicale Synode van de Afgescheiden Kerk niet meer toestond dat in Winterswijk de Vrienden van de Waarheid gebruik maakten van de kerk, ook omdat ze er avondmaalsvieringen wilden gaan houden. Dat ging de Synode te ver. Ze mochten eventueel blijven maar doen moesten ze lid worden van de Afgescheiden Gemeenten en dat deden de Vrienden niet.
Door de spanningen hadden de Vrienden van de Waarheid al in 1858 het initiatief genomen om een eigen gebouw te stichten. Dat kwam er in 1860.

In de vergadering van de Vereniging in 1858 waar de mogelijkheden voor een locatie voor worden verkend, werd A. Weerkamp, de vader van Abraham, gekozen in een commissie die de voorbereidingen moet treffen. Hij kwam in de commissie samen met J.B. te Strake, de latere werkgever van de jonge Abraham op Laarberg, en G.W. te Voortwis en G. Lammers. Behalve deze vermelding is er geen aanwijzing voor actieve deelname van Abraham Weerkamp (1818-1865) in de Vereniging Vrienden van de Waarheid.
Zo kwam er een eigen lokaal voor de Vereniging Vrienden van de Waarheid in Winterswijk in de Spoorstraat, toen nog de Koestegge geheten, want een spoor was er nog niet.
De Vereniging Vrienden van de Waarheid richtte ook een eigen bibliotheek op. Op 1 maart 1858 werd het ‘Regelement van het Godsdienstig Leesgezelschap tot uitbreiding der waarheid en daaraan verbonden Leesbibliotheek te Winterswijk’ vastgesteld.
Ook dat was in lijn met de beweging van gelovigen die zelf kennis wilden nemen van wat door hen vertrouwde schrijvers als waarheid naar voren werd gebracht.
In dit godsdienstig leesgezelschap vervulde J.B. te Strake op Laarberg, de werkgever van de jonge Abraham, ook weer een belangrijke rol. In notulen van de vergaderingen werd hij ‘opziener’ genoemd. Wellicht is Abraham zo in de wereld van het lezen van boeken terecht gekomen. En dat sluit aan bij een verhaal dat er melding van maakte dat bij hem de koeien wegliepen als hij ze moest hoeden. Hij lette niet altijd goed op omdat hij tegen een boom geleund in een boek verdiept was.
Er waren lijsten van boeken die geleend konden worden en ook de familie Wassink op Brasgeurden leende zo nu en dan boeken ook al waren ze niet bij de Vrienden van de Waarheid of de Dolerende Kerk. Op de ledenlijst in 1893 staat H.J. Wassink Geurdene vermeld.

De Christenreis, het boek geschreven door John Bunyan en voor het eerst verschenen in 1678 was heel populair. Het was tot ver in de 20ste eeuw een veel gelezen boek in gereformeerde kringen. De originele titel was Eens Christens reize naar de eeuwigheid en was de vertaling van The Pilgrim’s Progress from This World to That Which Is to Come. In de Achterhoek werd de schrijver ook wel Bunjan genoemd.
Andere titels op de uitleenlijst van het Godsdienstig Leesgezelschap waren bijvoorbeeld:
De christelijke moeder in den omgang met hare kinderen geschetst. Het was de vertaling uit het Frans van het boek van A. Rochat dat in 1848 verschenen was. Met een voorwoord van Nicolaas Beets.
Van Richard Baxter was er De Eeuwige rust der Heiligen. De Heerlijken staat der Gezaligden, hunne voortdurende blijdschap. Een uit het Engels vertaald werk dat in 1848 verscheen van de 17de eeuwse Engelse puriteinse predikant Baxter.
Van E.A. Talma was er Overdenkingen betrekkelijk het lijden en sterven van den gezegenden Verlosser, ten dage der prediking van hetzelve opgesteld. Uitgegeven bij J.H. den Ouden in Amsterdam in 1836. Het had 125 pagina’s.
Er waren ook geschriften, later ook uitgegeven als scheurkalenders, die korte stukjes ter vermaning en overdenking bevatten. Van de Thomas Wilcock (1603-1653) was beschikbaar Honingdroppelen uit de steenrots Jezus Christus of een kort woord ter vermaning aan alle heiligen en zondaars. De veertigste druk was in 1874 verschenen bij J. Campen in Sneek. Het boekje bevatte 48 pagina´s en koste 10 cent en twee gulden voor 24 exemplaren. Een van de ´honingdroppelen´ (no. 7 op pagina 14) luidt: ´De natuur kan geene zalven bereiden die in staat zijn de zielen te heelen. Alle genezing door goede werken, en niet door Christus, is de allerhoopelooste dwaling. De schamele verdorvene natuur, met al hare zelfgemaakte vermogens, kan nimmermeer een gewaad weven, dat zonder vlekken en fraai genoeg is om der zielen naaktheid daarmee te bedekken. Niets is in staat, de zielen tot dat einde te dienen, dan alleen Christus volmaakte gerechtigheid’.
De Vereniging ter Bevordering van Christelijke Lectuur gaf in 1856 een bij H. Höveker in Amsterdam een oorspronkelijk Duitse boek uit getiteld De kreupele van Rottenstein . Vertaald “uit het Hoogduitsch” van G. H. von Schubert. De vertaler schrijft in zijn voorwoord “Het volgende verhaal, waarvan ik, om deszelfs inhoud en strekking, de veelvuldige verspreiding onder het volk vriendelijk aanbeveel, moge het ieder duidelijk maken, dat niemand, in welken toestand of omstandigheden hij verkere, buiten staat is om tot eer van God, zijns naasten stichting en daarmede tot eigen heil te leven, wanneer slechts het beginsel van geestelijk leven, het geloof, niet ontbreekt.”
Het is een relatief kort verhaal ( 34 pagina’s) waarin de hoofdpersoon tot inkeer komt na een leven van liederlijkheid en drankzucht.
In 1892 staat genoteerd dat de titel Levensbeschrijving van Z.M. Koning Willem III door Gijsbert Schilder wordt uitgeleend aan Geurkink op Kip (in Huppel), aan K. Stroes en aan Dunnewold op Pikkers.
En niet te missen zijn de uitgaven met de preken van ds. Bernardus Smytegeld, een 17de eeuwse Zeeuwse predikant. Het bekendst werd hij door de 145 preken tellende serie Het gekrookte riet waarin hij ca. 300 kenmerken gaf waaraan onzekere gemeenteleden (de ‘gekrookte rietjes´) konden toetsen of zij werkelijk bekeerd en dus behouden waren.
Op de ledenlijst van het Godsdienstig Leesgezelschap stonden vooral namen uit de buurtschappen. Zo zien we behalve de stiefvader van Abraham, H.J. Wassink op Geurdene ook diens broer H.W. Wassink en hun zwager J.A. te Strake, de werkgever van Abraham, Jan Derk te Winkel op Blekkink, de zoon van de categezeermeester, en zijn broer Tobijas te Winkel op het Winkel, Engelbartus Koobs op Rookshuisje, buren van Bras en Brasgeurden, en J.A. Wiggers op de Stegge in Miste, de latere schoonvader van Abraham stiefzus Hendrika Willemina Wassink. J.W. Geurkink op de Kip in Meddo was getrouwd met de andere halfzus van Abraham, Janna Gesiena Wassink.
Het was een kring getrouwen die bij Abraham allemaal bekend of met hem verwant waren.

Opmerkelijk was dat veel boeken teruggaan tot de periode van kort na de Reformatie. Alsof de Verlichting nooit heeft plaatsgevonden. Misschien was het ook een verlangen naar de oude zekerheden en ongemak met de mogelijkheden van de mens en de snelle maatschappelijke veranderingen tijdens de Industriële Revolutie.
Tijdens de Bataafse Republiek was de feodaliteit afgeschaft, hoewel adeldom op grond van verdienste door de Koningsgezinden ook weer werd hersteld. Voor gewone Winterswijkers, met name de bevolking in de buurtschappen was het een onzekere tijd. Over de aanleidingen voor de grootschalige emigratie naar Amerika, de armoede , de onderdrukking, mislukte oogsten en grote kindersterfte is al het nodige gezegd. De Verlichting had een impuls gegeven aan techniek en wetenschap en industriële ontwikkeling. Het bracht ook met zich mee dat individualisme zich ontplooide en er een beeld van de mens die tot veel in staat is en de omgeving naar zijn hand kan zetten meer ingang vond. Die mogelijkheden waren ongelijk verdeeld. Huisarbeid werd omgevormd naar fabrieksarbeid waardoor nieuwe klassenverhoudingen ontstonden. Woeste grond werd verdeeld en ontgonnen waardoor de landbouwproductie van karakter veranderde en het landschap op de schop ging. Op staatkundig terrein speelde de grondwetsherziening van 1848 een rol, maar democratie was er niet voor iedereen. Vrouwen werden in het publieke domein buitengesloten. En de scholtenboeren behielden ondanks afschaffing van de feodaliteit vooralsnog hun dominante positie.
En dan reed er opeens een grote ijzeren stoomtrein dwars door het eens zo serene land! Een verwarrende tijd die vroeg om antwoorden verkondigd door leraren met een stellige en overtuigende boodschap die een voedingsbodem had in innerlijke onrust en maatschappelijke kwetsbaarheid. Het individueel zondebesef dat het zicht op de maatschappelijke problemen en de machts- en standsverschillen verhulde was daar deel van.
Behalve boeken waren er ook kranten die de gereformeerde gelovigen informeerden. Vanaf 1850 was er de Heraut als gereformeerd kerkblad dat zich onafhankelijk van de Nederlands Hervormde Kerk opstelde. In 1870 kreeg Abraham Kuyper de leiding over de Heraut en hij gebruikte het blad niet alleen voor kerkelijke zaken maar ook als podium voor zijn politieke activiteiten. In 1872 werd het dagblad de Standaard door hem opgericht. Het blad was lange tijd de spreekbuis van de Anti Revolutionaire Partij die in 1879 ook de Kuyper werd opgericht. De ARP vindt z’n oorsprong in sterke mate in de schoolstrijd. De spreekbuis van de Christelijk Afgescheiden Gemeentes was sinds 1853 het blad de Bazuin. De Bazuin was meer meer verbonden met de Christelijk Gereformeerde Kringen, de voormalig Afgescheidenen, en van de Theologische School in Kampen en de Standaard met de Dolerenden, de Anti Revolutionairen en de Vrije Universiteit.
De eerste voorzitter van het Godsdienstig Leesgezelschap in Winterswijk was Joh. C. Becking en later komt J.M. Stroes in beeld. Becking was ontvanger bij de belastingen en was gestationeerd bij de douane in Kotten. Hij woonde met zijn gezin op Beskers ( de Kalkoven) aan de Kottenseweg en later bij Mensink, een boerderij vlak bij de grens. Eerst staat hij ingeschreven als Hervormd maar aan het eind van de eeuw staat er Gereformeerd achter zijn naam.
Door evangelist Stoes zijn meerdere geschriften gepubliceerd waarvan aannemelijk is dat die door het Leesgezelschap verspreid zijn. Hij schreef in 1875 Christelijke toespraken. Uitgegeven bij J.P. van Dijk in Zwolle. En in 1877 verscheen Mededeelingen betreffende de geestelijke opwekking in Winterswijk. En in 1879 kwam bij uitgeverij Callenbach in Nijkerk De roeping tot beslistheid in de zaak van de opvoeding onzer kinderen uit. Daarin doet hij een dwingende oproep aan gelovigen om hun kinderen naar een christelijke school te sturen. Hij noemt het staatsonderwijs “ ’t gouden kalf, waarin de zonde van onzen tijd zich belichaamt. Men belooft zich gouden bergen van ’t onderwijs der jeugd in kundigheden, die geen hoogere bestemming hebben dan voor dit tijdelijk leven “. En “Ouders, ziet dan toch toe voor u zelven en voor uw kroost, dat gij de plaats, door God uwen kinderen in de Christelijke school bereid, niet ledig laat”. Ook schreef hij voor kinderen; bijvoorbeeld Ik ga naar Jezus. Een ware geschiedenis, tot kerstverhaal voor de jeugd. Verschenen in 1875. Toen was Abraham negen jaar.
In Mededeelingen betreffende de geestelijke opwekking in Winterswijk verhaalde Stroes van de vele jongeren die hij tot een standvastige geloofsovertuiging mocht brengen ”en deed hen Jezus zoeken totdat zij hem gevonden hadden. Wij tellen ze bij ons bij tientallen en op het oogenblik kan ik zeggen, dat reeds 40 à 50 jonge menschen geloovig zijn geworden “.
Het boek leest ook wel als een poging tot verdediging van zijn werkzaamheden naar de Kerkenraad van de Nederlands Hervormde Kerk. Hij verdedigde zijn methoden om de bevolking van Winterswijk en omstreken te benaderen. Die methoden werden blijkbaar niet door iedereen in de kerk gewaardeerd. Stroes geeft ook hoog op van het zingen van geestelijke liederen, opwekkingsliederen, en dan met name die van Sankey.
Daar was discussie over in de kerken. Ira David Sankey (1840-1908) was een Amerikaanse gospelzanger en componist die meer dan 1200 liederen componeerde. Deze liederen weken af van de standaard psalmen en gezangen die in de kerken werden gezongen. En daar was al veel controverse over. De stellige mening van ds. de Cock over gezangen was nog niet weggeëbd. Maar Stroes is een pleitbezorger van de Sankey-liederen. “Brachten vroeger de catechisanten den tijd vóor den aanvang der catechisatie door met onbeduidende gesprekken of in jeugdige dartelheid, het werd al spoedig regel om dien aan het zingen der psalmen en geestelijke liederen te wijden. Zelfs kwam ik eens bij de kleinen en ontmoette hen zingende het hiervoor aangehaalde lied No. 7” . Lied no. 7 is het bekende Heer ik hoor van rijken zegen / dien gij uitstort keer op keer / laat ook van dien milden regen / droplen vallen op mij neer. Het lied is later toegevoegd aan de gezangboeken van de protestantse kerken .

Jacobus Marius Stroes kwam in 1871 naar Winterswijk als Evangelist. Hij was daarvoor onderwijzer geweest in Colijnsplaat, op Zuid-Beijerland en was hoofd van de christelijke school in Marssum. Vandaaruit kwamen hij en zijn vrouw Maria Cathalina Schier met twee kinderen naar Winterswijk. Hij was toen 34 jaar. Hun oudste zoon Johannes Adriaan Pieter was toen al naar Nijmegen vertrokken en in 1867 was hun op Zuid-Beijerland geboren zoontje na tien dagen gestorven en al eerder was in Colijnsplaat hun dochtertje Adriana Pieternella na twee maanden overleden.
Intussen was de naam van de Christelijke Afgescheiden Gemeente zoals die vanaf 1841 heette in 1869 veranderd in Christelijk Gereformeerde Gemeente. Dat kwam omdat ze waren samen gegaan met de Gereformeerde Kerk Onder ’t Kruis, een stroming van de Afgescheidenen die er bezwaar tegen maakten dat de kerk erkenning bij de staat aanvroeg. Zij wilden de handen helemaal vrij houden.
De volgende stap in de kerkenstrijd was de Doleantie. In 1886 vond een scheuring in de Nederlands Hervormde Kerk plaatst. Een groot aantal kerkenraden van de Nederlands Hervormde Kerk had moeite met de kerkelijke regelementen die waren opgelegd door de Synode en die weinig ruimte liet voor eigen zelfstandigheid van kerkelijke gemeenten. Een klacht was dat er ook niet werd opgetreden tegen de toenemende vrijzinnigheid. De ambtsdrager die daarover klaagden (doleren) werden geschorst en afgezet. In Amsterdam werden tachtig ambtsdrager op die manier aan de kant gezet. Onder leiding van de theoloog dr. Abraham Kuyper werd daar in december 1886 de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doolerende) gesticht. Dat ‘doolerende’, klagend, werd eraan toegevoegd om de kerk te onderscheiden van de kerk van voor 1815.
In Winterswijk werd er in de Nederlands Hervormde Kerk ook op aangedrongen het Algemeen Regelement af te schaffen en ‘wederom kracht en geldigheid te verlenen aan de Dordtse Kerkorde’. De kerkenraad reageerde daar niet op waarna op 27 juli 1887 er een afdeling van de Nederduitsch Gerformeerde Kerk ( doleerend) werd opgericht met J. Elferdink, G.W. te Voortwis, B.W. Gijsbers en G.H. Kappers als ouderlingen. Op 9 augustus 1887 werden ze in hun ambt bevestigd.
Besloten werd ‘onder aanroeping van den Naam des Heeren het juk van de synodale hiërarchie af te werpen’ en werden opzieners benoemd als afgevaardigden van de Winterswijkse Doleerenden naar de classicale vergadering in Arnhem.
Ook de evangelist J.M. Stroes sloot zich in 1887, hetzelfde jaar dat zijn vrouw overleed, aan bij de Dolerenden. Daarmee werd zijn positie als evangelist binnen de Nederlands Hervormde Kerk onmogelijk.
Toen wilden de Dolerenden diensten houden in het lokaal van de Vereniging Vrienden van de Waarheid in de Spoorstraat, maar daar stak de kerkenraad van de Nederlands Hervormde Kerk een stokje voor. Ze vonden echter wel gehoor bij de Gereformeerden aan de Zonnebrink, inmiddels de Christelijk Gereformeerde Gemeente genaamd. Ook mocht daar catechisatie worden gehouden.
Het zal in die tijd menigeen geduizeld hebben voor de ogen en veel moeite hebben gekost om te volgen welke overtuigingen tegenover elkaar stonden. Aannemelijk is dat deze gang van zaken menige familie verdeeld zal hebben. Ook de familie Weerkamp? Tegelijk ging het om veel reuring maar een beperkt aantal mensen. In 1889 behoorde 3,3% van de bevolking van 18 jaar en ouder in Winterswijk tot de Gereformeerde Kerk.
Een eigen predikant hadden de Dolerenden niet maar een oplossing werd gevonden door J.M. Stroes een korte studie te laten volgen en te beroepen op grond van Artikel 8 van de Dordtse Kerkorde. Deze hield in dat iemand met bijzondere gaven (‘singuliere gaven’[1]) ook zonder een theologische opleiding aan een universiteit of hogeschool predikant kon worden. In 1888 werd hij in zijn ambt benoemd en hij ontving een jaarsalaris van 900 gulden en had vrij wonen. Nog geen jaar later was Abraham Weerkamp een van zijn eerste belijdeniscatechisanten die tot de Dolerenden toetrad. In die tijd zal hij ook kennis hebben gemaakt met Karel Jan Stroes, de zoon van de predikant.
Karel Jan Stroes trouwde in 1881 met Adeline Johanna Dulfer, dochter van de hovenier / bloemist. Zij kregen 12 kinderen. Later werd deze familie Stroes de “angang” van de familie Weerkamp. Ze woonden op de hoek van Weurden – Willinkstraat waar ze een winkel hadden. Karel Jan was getuige bij het huwelijk van Abraham Weerkamp en Gesiena Kuenen in 1896. Dat was opmerkelijk omdat in die tijd vrijwel altijd alleen mannelijke familieleden van bruid en bruidegom als getuige bij een huwelijk optraden.
De Nederduits Gereformeerde Kerk (Dolerend) waarin Abraham belijdenis had gedaan bleef niet lang bestaan. In 1889 vinden de Afgescheidenen en de Dolerenden elkaar in de wens om weer “samen te kunnen opgaan”. Het voorstel was om te komen tot De Vereenigde Christelijk Gereformeerde en Nederduitsch Gereformeerde Kerken te Winterswijk. Maar dat ging nog niet van een leien dakje. De dolerenden mochten onder leiding van ds. Stoes twaalf keer een kerkdienst houden in de Zonnebrinkkerk en dan mochten ze de opbrengst van de collecte houden. Dat vonden de Dolerenden te weinig. Ze wensten ook een eigen kerkgebouw, maar na het vertrek van ds. Stroes moesten ze eerst de vacature voor een predikant opvullen.
Jacobus Marius Stroes is maar kort predikant van de Nederduits Gereformeerde Kerk ( Dolerend) in Winterswijk geweest. In 1889 wordt hij predikant in Bedum.
Zijn plaats werd opgevuld door het beroepen van ds. H. Franssen die zich als predikant in de Hervormde Kerk in Ankeveen bij de Dolerenden had aangesloten.
Toen ging het snel. Tijdens de eerste kerkenraad die hij voorzat werd al besloten tot samengaan met de Christelijk Afgescheiden Gemeente. Ds. Franssen kon het goed vinden met ds. Sipkes van de Afgescheidenen. Er moest nog wel een geschil worden opgelost over de vraag wie toegelaten mocht worden tot het avondmaal. De Dolerenden vonden het goed dat ook leden van de Hervormde Kerk daar bij toegelaten mochten worden, maar de Christelijk Gereformeerden vonden dat niet. Het compromis was dat iedereen die afkomstig was uit de Hervormde Kerk eerst moest worden ‘onderzocht’ voordat hij of zij kon worden toegelaten tot de viering van het Heilig Avondmaal.
Het kan zo maar geweest zijn dat Abraham als belijdend lid van de Nederduits Gereformeerde Kerk (Dolerend) zonder meer bij de samen gekomen kerken aan het avondmaal deel kon nemen maar zijn toekomstige echtgenote Gesiena Kuenen die Hervormd was, eerst ‘onderzocht’ moest worden.
Hierna ging het voorspoedig; op 5 augustus 1892 waren de kerken samengevoegd en was er de Gereformeerde Kerk te Winterswijk met als kerkgebouw de Zonnebrinkkerk. De Vereniging Vrienden van De Waarheid bleef nog wel bestaan en het Lokaal aan wat inmiddels de Spoorstraat heette werd gebruikt door de Hervormde Evangelisatie.
De Nederlands Hervormde Kerk bleef de kerk met de meeste leden die zonder dat dat geformaliseerd werd, konden worden onderverdeeld in orthodoxe leden en vrijzinnige leden.
Ook na het samengaan de Dolerenden en de Afgescheidenen etterden de polemieken onder de gelovige broeders nog door. In dagblad de Bazuin van 5 december 1902 trok Hendrik Jan Willem te Raa (1845-1917), op Broerink in Ratum, flink van leer tegen de Dolerenden[2]. Hoewel de Dolerenden al lang opgegaan waren in de Gereformeerde Kerk vindt hij het blijkbaar nodig nog eens stevig tegen deze dwaling tekeer te gaan „Naar mijn inzien kan alleen de Geest des Heeren de dorre doodsbeenderen, als weleer, weer leven en toenadering tot elkander wekken en zal alleen een terugkeer tot Zijn Woord ons van deze krankheid genezen.” De vader van Hendrik Jan Willem te Raa, Gerrit te Raa kwam rond 1845 vanuit Eibergen naar Broerink in Ratum en behoorde vanaf het begin tot de Afgescheiden Gemeente. Maar met de Doleantie had hij blijkbaar moeite.
Het samenwerkingsproces ging soepeler dan in de buurgemeente Aalten. Daar was ook sprake van samenvoeging maar het duurde tot 1909 tot van één Gereformeerde Kerk sprake was. Daar was de intentie van 1892 tot samengaan wel gevolgd maar door scherpslijperijen over het verdwijnen van Christelijk uit de naamgeving, over de dreigende overvleugeling van de Vrije Universiteit, in Amsterdam opgericht door Abraham Kuyper, over de Theologische School in Kampen, bezwaren tegen leerstukken van Kuyper en het ‘ontbreken van wederkerige liefde tot samenleving van beide kerken’, kwam de samenwerking niet goed van de grond. In deze ongemakkelijke sfeer noemde de echtgenote van de Hervormde predikant ds. Oostrom-Soede (hij had volgelingen die zich Soedenezen noemden) de Afgescheiden ds. Gangel ‘het gemeenste sujet van de wereld’. De volgers van ds. Gangel werden Ganglianen genoemd. In 1897 moest de kerk zelfs ontruimd worden omdat aanhangers van twee dominees naar voren renden en de kansel probeerden te veroveren voor hun hun predikanten die allebei de dienst wilden leiden. Ds. Gangel ging verhaal halen bij de Commissaris van de Koning en bij de Minister van Justitie en werd bij terugkomst op het station opgewacht door een menigte met zakken vol stenen die riepen “hop hop hang Gangel op”. Een zeventigtal geestverwante met stokken bewapende boeren uit Lintelo moest hem naar huis geleiden. De zondagen daarna bleven de kerken dicht en werden door vijftien huzaren en veertig infanteristen bewaakt. Ene E. van Eerden had gedreigd ds. Gangel dood te schieten als hij de kansel zou betreden. Jarenlang bestond er in Aalten een Gereformeerd A-kerk en een Gereformeerde B-kerk. Zoals gezegd kwam er vanaf de samenvoeging in 1909 meer rust in de Gereformeerde Kerk in Aalten.
Er waren ook kwesties waarin de Nederlands Hervormden, de Afgescheidenen en later de Dolerenden en de Darbisten elkaar vonden en versterkten. Met name de schoolstrijd.
In 1806 nam de staat de zeggenschap over het onderwijs over van de oude Hervormde Kerk. Wel moesten er godsdienstlessen gegeven blijven worden, in Winterswijk gebeurde dat o.m. door Jan Derk te Winkel van het Benninkhuisje in Miste. Hij was landbouwer, steenbakker en catechiseermeester en ging de buurtschappen af om catechisanten voor te bereiden op de belijdenis in de Nederlands Hervormde Kerk.
Bij de grondwetsherziening van 1848 was het recht op bijzonder onderwijs wettelijk erkend maar het openbaar onderwijs had een bevoorrechte positie. In aristocratische kringen had het Réveil, een beweging met een piëtistische inslag en met de wens tot herstel van de orthodoxe gereformeerde opvattingen en afkeer van de denkbeelden van de Verlichting aan invloed gewonnen. Willem Bilderdijk, Isaäc da Costa, Groen van Prinsteren en Nicolaas Beets, bekend van de Camera Obscura, waren in Nederland vooraanstaande figuren in deze beweging. Groen van Prinsteren stond ook aan de wieg van het Anti Schoolwet Verbond, de voorganger van de Anti Revolutionaire Partij. Dat waren weliswaar personen uit de intellectuele en soms ook adellijke bovenlaag maar deze beweging sloot aan bij de behoefte onder het meer gewone volk om terug te keren naar de waarden van de Reformatie en vroegere Nederduitsch Gereformeerde Kerk van voor de Bataafse Republiek. Groen van Prinsterer begon als lid van de Tweede Kamer de strijd voor gelijkberechtiging van Openbaar en Bijzonder onderwijs. Gelijkberechtiging betekende ook gelijke financiering door de staat. Maar de wetswijziging in 1857 bracht niet die gewenste situatie. In 1878 kwam de liberale minister van onderwijs Kappeyne van de Coppello met een wetsontwerp waarin hogere eisen aan het onderwijs, ook het bijzonder onderwijs, werden gesteld zonder de daarbij aan het bijzonder onderwijs de bijbehorende financiering te leveren.
Dat was het startpunt voor het Volkspetionnement, een actie om de Koning te bewegen zijn goedkeuring aan de wet te onthouden. Dat sloeg aan ook door het werk van het Anti Schoolwet Verbond en van de Vereniging Christelijk Nationaal Onderwijs die vanaf 1860 was begonnen christelijke scholen op te richten.
Het Volkspetionnement bracht ook meer eenheid tussen Hervormden en Afgescheidenen. En ook rooms-katholieken tekenden een soortgelijke petitie. Het heeft niet mogen baten; Koning Willem III tekende de wet.

In 1868 werd in Winterswijk de Vereniging Christelijk Nationaal Schoolonderwijs opgericht en werd de eerste tweeklassige school met onderwijzerswoning gebouwd aan de Ratumsestraat. Het eerste schoolhoofd is L. Pette. Het gebouw werd ontworpen door Leendert Gerardus Richter die ook het Lokaal van de Vereniging Vrienden van de Waarheid aan de Koestegge had ontworpen. De school koste ongeveer 3000 gulden en de onderwijzerswoning 2500 gulden. Richter was actief betrokken bij de Vrienden. In 1880 was hij voorzitter van de Vereniging Christelijk Nationaal Onderwijs toen Pieter Cornelis Mondriaan aangenomen werd als opvolger van hoofdonderwijzer Pette.
Mondriaan was in zijn vorige woonplaats Amersfoort, waar ook zijn later wereldberoemd geworden zoon Pieter Cornelis jr. werd geboren, actief in het Anti Schoolwet Verbond. Hij was een steun voor Abraham Kuyper in de schoolstrijd. Eenmaal in Winterswijk bleef hij wel corresponderen met Kuyper en artikelen schrijven voor de regionale krant de Graafschapper en voor de Standaard. Kuyper had hem aanbevolen als hoofdonderwijzer in Winterswijk en bood hem later aan redacteur bij de Standaard te worden. Maar hij bleef onderwijzer en maakte lithografische prenten met bijbelse en historische voorstellingen. Hij volgde de ontwikkelingen rond de Doleantie op de voet maar uiteindelijk bleef hij trouw aan de Nederlands Hervormde Kerk.
Het Anti Schoolwetverbond ging over in de politieke beweging, de kiesvereniging “Nederland en Oranje” waarin stemmers op de Anti-Revolutionaire Partij hun thuis vonden. Ook in Winterswijk. In 1873 werd een afdeling opgericht met 59 leden. In het bestuur vinden we de namen van M. Stroes, de evangelist, M. Sipkes, predikant van de Christelijk Afgescheiden Gemeente, H.W. te Winkel op Blekkink in het Woold en ook L. Pette, de voormalige onderwijzer van de eerste Christelijk Nationale School in Winterswijk. In 1874 komt daar ook Jan Albert te Strake van Laarberg, de werkgever van de jonge Abraham bij. Te Winkel werd in 1873 ook gemeenteraadslid voor de Christelijk Historische richting. Op de ledenlijst stond vanaf het begin ook de naam van Harmen Jan Wassink, de stiefvader van Abraham. In 1899 zien we dat Karel Jan Stroes in de voetsporen van zijn vader is getreden en namens de afdeling Winterswijk afgevaardigde wordt naar de Anti Revolutionaire Centrale Kiesvereniging Nederland en Oranje in het hoofddistrict Doetinchem. En samen met Abraham Weerkamp maakt hij deel uit van het bestuur van de plaatselijke afdeling. Abraham stond vanaf 1899 op de kiezerslijst van de Anti Revolutionaire Partij. Dat was niet voor iedereen weggelegd. Omdat er nog geen algemeen kiesrecht bestond konden waren alleen mannen van 25 jaar en ouder die of bezit hadden, of bepaald bedrag aan huur betaalden, of een minimum bedrag op een spaarrekening hadden stemgerechtigd. Dat was geregeld in het censuskiesrecht.
In deze context bereikte de jongeling Abraham de volwassenheid. Zijn overstap naar de Nederduits Gereformeerde Kerk (Dolerend) vond plaats in de periode dat hij bij Hilbelink in de Brinkheurne werkte waar hij ook Gesiena leerde kennen. En wel bij de familie Hilbelink die zich had gevoegd bij de Darbisten. Hoe verwarrend kan het zijn. Zijn compaan Karel Jan Stroes was in 1881 getrouwd met Adeline Johanna Dulfer. Hun schoondochter Emma Schuil, die in 1921 trouwde met hun zoon Karel Johannes werkte in haar jonge jaren bij Carel August Eberhardt op de Markt no. 17. Eberhardt was de mede grondlegger van de Darbisten, de Vergadering van Gelovigen, een niet-institutionele vereniging van gelovigen. Bij de Darbisten stond in het bevolkingsregister in de rubriek godsdienst achter hun naam de aanduiding geen.
Zo trouwt het dienstmeisje van de Darbistische evangelist met de kleinzoon van de evangelist van de Vrienden van de Waarheid. En trouwt de Nederduits Gereformeerde (Dolerend) knecht van een van de weinige boeren die tot de Vergadering van Gelovigen behoorden met de dienstmeid bij diezelfde boer die Nederlandse Hervormd was en bij haar huwelijk Gereformeerd werd. Het is onzeker of hun kinderen dat precies hebben geweten.
Zo trad Abraham toe tot de ‘Mannenbroeders’. In het Bijbelboek Handelingen (2:37) vroegen na het vertrek van Jezus de apostelen zich af ‘wat moeten wij doen mannen broeders’.
In Nederland rond de eeuwwisseling wisten ze het wel: vasthouden aan de belijdenisgeschriften, eigen christelijke scholen oprichten, een eigen krant in stand houden, een confessionele politieke partij steunen, een eigen universiteit (Vrije Universiteit) stichten en twee keer per zondag naar de kerk gaan.
[1] In de Dordtse Kerkorde werden vereisten als godzaligheid, ootmoed, zedigheid, goed verstand, discretie en gaven van welsprekendheid genoemd. Afhankelijk van de denominatie voerden andere gereformeerde kerken ook onderscheidingsvermogen, vroomheid, ootmoed (bescheidenheid), wijsheid, geestelijk onderscheidingsvermogen, invoelend vermogen en oorspronkelijkheid aan als criteria.
[2] De familie te Raa op Broerink in Ratum was vanaf het begin in 1841betrokken bij de Christelijk Afgescheiden Gemeente in Winterswijk.
[1] Voorname lotgevallen van J D te Winkel Categm – particuliere uitgave
[1] met uitzondering van de periode 1806-1810 toen de broer van de Franse keizer als zetbaas koning van Holland was.
[2] Synode van Dordrecht 1618-1619. De uitkomst van de strijd tussen de Remonstranten en de Contra-Remonstranten was dat werd vastgesteld dat alleen Gods genade bepalend is voor het geloof van de mens, en niet de menselijke wil.