19.
Toen op een dag in maart 1947 het voorjaarszonnetje scheen ondernam Abraham Weerkamp de fietstocht naar de Stegge in Miste. Hij wilde met eigen ogen zien hoe het er voor stond met de familie. Zijn halfzus Drika Wiggers was sinds 1944 weduwe en had veel ontberingen moeten doorstaan bij de bevrijding. De familie Wiggers woonde nog steeds in de schuur die ze na de bevrijding hadden gebouwd. Dat hadden ze helemaal eigenhandig gedaan. De stenen van het afgebrande huis waren afgebikt en weer gebruikt en hout hadden ze van Tenkink op Lintum gekocht. Ze hadden zelf de bomen in de Bekkendelle omgezaagd. Zo was een onderkomen gemaakt voor het vee, het paard en voor het gezin. Direct na de brand bij bevrijding waren ze liefdevol opgenomen door de familie Huiskamp op het Jonenhuis, hun buren. En na twee weken hadden ze hun onderkomen gevonden in een kippenhok dat ze hadden gekocht en in een woonwagen met kapotte banden die in de oorlog beschoten was en op de grens stond. Daar hadden ze acht maanden in doorgebracht totdat de schuur zo ver af was dat ze er in konden trekken. Nu waren ze in afwachting van toestemming voor de bouw van een nieuwe boerderij.
Als Abraham zijn zus heeft begroet schudt hij zijn hoofd bij het zien van de krappe behuizing waarmee het gezin het moet doen. Het is maar goed dat het voorjaar er aan komt. Maar zijn zus houdt de moed er in. ‘Wiej bunt ter nog Aobram. Zo moj’t moar zeen. En er zal warempel wal een niej hoes kommen. Doar vertrouw ik op. En op den Allerhoogsten, den hef uns zowiet nog espoard. Doar modde wiej dankboar veur wezzen’.
Abraham kan niet anders dan het beamen.
Als het nieuws is uitgewisseld en de koffie op is komt Drika aanzetten met een brief. ‘Dizzen breef kump van unzen Albert oet Indië. Hee schrif dat iej den ok moar mot lèzen’.
Als Abraham ’s middags weer thuis op de Menger is opent hij de enveloppe en begint de brief te lezen.
Batavia, 24 Febr. ‘47
Aan de heele familie Wiggers;
Vanmiddag kregen we een brief van Herman van 11 Febr., die me eigenlijk toch wel noodzaakt om nóg eens een keer te schrijven over de Indon. kwestie. Ik kan duidelijk merken dat er veel over die brief gepraat is; zelfs met Weerkamp; e.a.; en dat jullie er allemaal enigszins verlegen mee zitten. Je hebt Albert altijd als een achtenswaardig man beschouwd, die met eere zijn plaats in Indië bekleed heeft; en je zou hem graag zoo willen blijven beschouwen. Maar de Antirev. Partij zegt, dat van Mook en Schermerhorn landverraders enz. enz. zijn; en Albert zegt dat hij het met de regering eens is; dus, (vraag je dan vanzelf) is Albert dan ook eigenlijk geen landverrader? En mogen we dan eigenlijk wel een beetje trotsch op hem zijn, zooals we dat waren? Of moeten we hem, zeer tot onzen spijt, maar toch om des gewetenswille; niet als een landverrader beschouwen? En die vraag verontrust jullie; daar zit je mee. Wat is Albert nou eigenlijk; vraagt Herman en vragen jullie allemaal. Ik wil nog één keer proberen er een antwoord op te geven.
Zo begint een lange brief die is ondertekend door Albert en Mien. De brief eindigt met …..Deze brief is haastig in een paar verloren avonduren op 24 en 25 Febr. geschreven; aan openlijke politiek doe ik niet; en ik wil dat ook helemaal niet, dat er iets van dit schrijven in de krant komt. Dat laat ik graag over aan allerlei schrijvers, soldaten, verpleegsters; enz.; die hier een paar maand lang hebben rondgekeken, en dan al heele brieven vol naar de Hollandsche kranten kunnen schrijven. Gelukkig is dat hier, in enigen ook precies zoo verdeeld zijn, als van alle anderen. De een helft tegen; de andere voor! Maar een bepaald courant neemt altijd alleen maar brieven op van één bepaalde soort. Dat is met “Trouw” zo, en dat is met Vrij Nederland zoo. Jammer; erg jammer is dat. Maar jullie allen mogen deze brief lezen, zoveel je wilt; ook bepraten; ook aan Hendrik in Gorinchem, wien ik Zondag ook nog een lange brief geschreven heb; ook A. Droppers en A. Weerkamp en anderen mogen hem wel lezen. Met hartelijke groeten en de beste wenschen voor u allen; en tot ziens. Albert en Mien.
Wie is Albert en wie is Mien en hoe verhielden zij zich tot ‘Herman’, ‘Weerkamp’ en A. Droppers. En wat is precies de kwestie die hen blijkbaar verdeelde?
Jan Albert Wiggers, de schrijver van de brief werd geboren in Winterswijk op 13 januari 1893. Hij was de oudste zoon van Henrik Jan Wiggers en Janna Berendina Ros. Hendrik Jan en Janna Berendina kregen zeven kinderen. Ze woonden op de Stegge in Miste. Janna Berendina Ros stierf in 1900 en in 1901 hertrouwt Hendrik Jan met Hendrika Willemina Wassink, op dat moment 27 jaar, dochter van Harmen Jan Wassink en Janna Geertruida Sijwassink. Hendrika Willemina Wassink en Abraham Weerkamp ( 1866-1951) waren daarmee halfzus en halfbroer. Abraham had in 1947, de tijd waarin deze brief de ronde doet, nog steeds een positie in de Antirevolutionaire Partij en zijn opvattingen deden er blijkbaar toe in de familie en in Gereformeerde en Antirevolutionaire kring. Jan Albert werd de ‘Indische Wiggers’ genoemd, ter onderscheiding van zijn halfbroer Hendrik Willem ( geb. 1915) die furore maakte als kruidenier, supermarkteigenaar en klokkenfabrikant en vanwege zijn Duitse supermarktclientèle ‘de Duitse Wiggers’ werd genoemd.
De brief is geschreven aan Herman, we mogen aannemen dat het gaat om Herman Gerrit Wiggers, de in 1905 geboren oudste zoon van Hendrik Jan Wiggers en Hendrika Willemina Wassink. Hij was de oudste van de zes kinderen in dit tweede huwelijk van Hendrik Jan. Hij was dus de twaalf jaar jongere halfbroer van Albert. Hij was in 1936 getrouwd met Janna Geertruid Ros en ze zetten de boerderij voort op de Stegge. In 1947 waren ze nog nauwelijks hersteld van het drama dat zich over de Stegge had voltrokken bij de bevrijding in 1945.
Albert Wiggers werd onderwijzer in Eibergen, Winterswijk en Harderwijk. Op 9 oktober 1918 vertrok hij samen met echtgenote Willemina Frederika (Mien) Ronhaar naar wat toen nog Nederlandsch Indië heette. Zij reisden i.v.m. de WO 1 via New York. Albert en Mien waren in augustus 1918 in Leeuwarderadeel getrouwd. Albert was toen onderwijzer in Harderwijk en Mien onderwijzeres en woonde in Huizum ( nu een wijk van Leeuwarden)
Albert Wiggers heeft in Nederlands Indië in het onderwijs gewerkt. In Klatan, Sragen en Solo op Midden-Java. Hij was daar verbonden aan de Hollands Indische School. Hij was ook leraar aan de kweekschool in Yogyakarta en inspecteur van het onderwijs in Ambon en Semarang.
In 1940 was hij met verlof in Nederland en is tijdens bezoek aan familie in Groningen door de Duitsers opgepakt en geïnterneerd in Buchenwald. Hij werd samen met ruim 300 andere Nederlandse gijzelaars naar Ettersberg (een deel van Buchenwald) in een apart blok ( Block 41) gebracht. De reden voor gijzeling door de Duitsers was vergelding tegen de gevangenneming van Duitsers in Nederlands Indië. De groep bestond uit bekende politici ( o.a. Willem Drees), ambtenaren, kunstenaars, leraren en medewerkers van het koningshuis. Zij werden de ‘Indische gijzelaars’ genoemd. Blok 41 werd “das Goldene Block” genoemd omdat de gijzelaars daar in een relatief geprivilegieerde positie verkeerden; het Rode Kruis mocht hen pakketten verstrekken, ze konden brieven schrijven en ze hoefden niet te werken. Toch overleden er negen gevangenen als gevolg van slechte hygiëne. Na een jaar werden ze overgebracht naar het gijzelaarskamp in Haaren (NB) en in 1942 naar het gijzelaarskamp in St. Michielsgestel in Groot-Seminarie Beekvliet. Het was voor wat betreft de samenstelling een bijzondere groep. Bekende namen waren Johan Huizinga, de bekende historicus, de schrijver Simon Vestdijk, de latere minister presidenten Wim Schermerhorn en Willem Drees en Frits Philips. In september 1944 bij de Slag om Arnhem probeerden de Duitsers nog gijzelaars over te brengen naar Duitsland maar dat mislukte grotendeels en Albert Wiggers behoorde tot de gijzelaars die het lukte om te ontsnappen. En zo is hij in het najaar van 1944 weer bij zijn familie in Miste aangeland. Het gijzelaarskamp in St. Michielsgestel is wel beschreven als een soort Volkshogeschool waar politieke en maatschappelijke discussies werden gevoerd die van invloed zijn geweest op de na-oorlogse politiek. Een van de gegijzelden was bijv. de theoloog dr. Willem Bannink, een religieus socialist die als medevormgever van de Doorbraakbeweging aan de wieg stond van de Partij van de Arbeid. Niet langer zouden gelovigen alleen op confessionele partijen stemmen, maar traden ze, met name Hervormde kerkleden, toe tot seculiere politieke partijen. Het ligt voor de hand dat Albert Wiggers daar is geconfronteerd met denkbeelden die zijn opvattingen over de rol van Nederland in Nederlands Indië mede hebben gevormd. En hij zal er mensen als Schermerhorn en Drees hebben ontmoet, politici die de Indonesië-politiek na de Tweede Wereldoorlog hebben vorm gegeven. Albert schrijft in de brief in 1947 aan zijn Winterswijkse familie “Heeft Holland altijd het welzijn en de welvaart van Indië in de eerste plaats op het oog gehad? Of was het in de eerste, de tweede en de derde plaats altijd het voordeel van Holland en de vierde plaats het voordeel van Indië? Ook dat wreekt zich nu! Schouten[1] zegt : “God geeft ons een taak in Indië om daar dat volk op te voeden en te leiden op den weg naar meer welvaart en geluk; en naar zelfstandigheid. En die taak is nog lang niet voltooid”. Accoord, accoord; maar: naar mijn overtuiging zegt God vandaag tot het Nederlandsche volk, dat het Ned. volk die taak niet heeft uitgevoerd naar zijn wil en wet en niet in de geest van het Evangelie, in dienende liefde. En dat het Ned. volk daarom een anderen koers moet inslaan in het bestuur van dit land. Die stem van God meen ik te beluisteren in de geschiedenis van de laatste paar jaren. En …. ben ik daarom nu een ketter? Moet ik me daarvoor schamen? ( zelfs al zou over 10 of over 20 of over 50 jaar blijken, dat ik het toch verkeerd zou hebben ingezien en verkeerd zou hebben geluisterd!) Moet van Mook[2] en allen die het met hem eens zijn, en die allen nog hard werken om te redden wat te redden valt, moeten daarom al die menschen in sommige ( ook antirevolutionaire ) kranten bespot worden en uitgescholden worden voor afbrekers van het Koninkrijk, voor landverraders, en al zulk moois meer!! Ik ben geen lid van de Partij van de Arbeid; en ik denk ook niet dat ik het ooit worden zal; maar ik ben evenmin van plan om op alles wat de antirevolutionaire partij in haar partijvergaderingen zou beslissen, altijd maar “ja” en “amen” te zeggen als ik er in mijn hart anders over denk.
In de brief noemt Albert Wiggers ook de naam van A. Droppers aan wie de brief wel voorgelegd mag worden. Deze A. Droppers is Jan Albert Droppers, een naamgenoot en neef; ze zijn beiden naar hun grootvader Jan Albert Wiggers genoemd. De moeder van Jan Albert Droppers was Geertruida Willemina Wiggers en zij trouwde in 1891 met Jan Willem Droppers en zij woonden op Roerdinkloo, ook wel ‘het Loo” genoemd, in het Woold. Jan Albert werd op 10 maart 1908 geboren.
Jan Albert Droppers werd ook onderwijzer, trouwde op 13 maart 1930 met Anna Maria Koudstaal, onderwijzeres en ze vertrokken op 16 maart 1930, op de dag dat zijn grootvader Jan Albert Wiggers werd begraven naar Nederlandsch Indië. Albert Droppers werkte net als zijn neef in het onderwijs in Klatan en Solo op Midden Java. In 1942 zou hij zijn neef Albert Wiggers opvolgen als inspecteur van het onderwijs, maar zover is het niet gekomen. Albert en zijn vrouw Anna Maria en drie kinderen werden geïnterneerd in een Jappenkamp. Albert heeft daar zwaar geleden. In 1946 kwamen Albert en zijn vrouw en drie kinderen die gedurende de Japanse bezetting gescheiden waren geweest naar Nederland terug.
Op de interneringskaart staat dat hij soldaat in het KNIL zou zijn geweest en tot de Landstorm in Soerakarta zou hebben behoord. Op die kaart met veel Japanse tekens staat ook dat hij aan bronchitis leed. Jan Albert Droppers was van 1954 tot 1972 hoofd van de NH school op ’t Zand in Bredevoort. In 1954 verscheen bij uitgeverij Callenbach in Nijkerk een kinderboek van zijn hand: Wat dokter Slamet vertelt. In het verhaal krijgt een familie die in Indië gewoond heeft ( de familie Droppers?) bezoek van een Javaanse arts die propaganda maakt voor de zending. Het verhaal wordt grotendeels verteld vanuit het perspectief van zoon Jan, een jongen van ongeveer 14 jaar. In lezingen voor gemeenteleden van de kerk en voor een schoolklas vertelt dokter Slamet over de noden en over het bijgeloof van de Javanen die hun ontwikkeling in de weg staat. Terzijde wordt melding gemaakt van het lijden van met name de vader van het gezin tijdens de internering in het Jappenkamp. Dokter Slamet was arts in het kamp en heeft hem zo nu en dan voedsel toegestopt. “Nog ziet Jan z’n vader, een paar weken na de overgave van de Japanners, het kamp binnenkomen, waar zij met moeder zaten. Wat zag hij er mager en oud uit; vel over been. Jan weet nog goed, hoe ontzettend moeder gehuild heeft. Even vlamt de haat tegen Japanners in Jan op, maar dan wordt het weer kalm in hem. Hij weet niet, dat moeder, Henk en hij er ook zo mager uitzagen. ’t Was voor allemaal beter, dat ze eerst eens een poosje naar Holland gingen. En toen zijn ze hier gebleven, want vader werd afgekeurd en mocht niet meer terug. Gelukkig, dat hij hier toen een betrekking heeft kunnen krijgen.” Uit het verhaal spreekt een verlangen naar de schoonheid van Indië en de liefdevolle onderdanigheid van bedienden van Hollandse families. Een moralistische toon ontbreekt niet. Dokter Slamet zegt dat Indonesiërs het niet fijn vinden om als “zwartjes” betiteld te worden ( “zeg dat nooit !”) omdat ze immers geen Zwarte Pieten zijn en niet uit Spanje komen. Het boekje is een prachtig tijdsbeeld en nog antiquarisch verkrijgbaar.
De vraag is nu hoe de kijk van Albert Droppers op de verhoudingen in Nederlands Indië zich verhouden tot die van zijn neef Albert Wiggers. We weten niet of zij na hun tijd in Indië contact hadden.
Albert Wiggers is na de oorlog terug gegaan naar Indonesië en werd inspecteur van het onderwijs.
Voor Albert Wiggers was het zelfbeschikkingsrecht van de Indonesiërs vanzelfsprekend. Er moest een einde komen aan het Nederlandse koloniale tijdperk. In zijn brief schrijft hij “Indië heeft ontzettend veel te danken aan Nederland; en Nederland heeft ontzettend veel te danken aan Indië. Tot beider welzijn en welvaart. Alleen maar…. Sedert het jaar 1600 tot 1900 was het voordeel bijna uitsluitend aan de kant van Holland; na 1900 is daar en kleine verandering ten gunste van Indië gekomen. Maar elke gunstige verandering kwam schoorvoetend en meestal gaf de Regeering ze noodgedwongen. De beloften op een betere toekomst begonnen al in den vorigen wereldoorlog. Maar toen de Wereldoorlog 1914-1918 voorbij was, waren sommige beloften òf vergeten òf ze werden anders uitgelegd dan de Indonesiërs begrepen hadden. Er kwam onder geleerde Indonesiërs (dokters, juristen, leeraren enz.) een ontevreden geest. Er werd wel eens een oproerige toon in de krant gehoord. In een vrij, democratisch Nederland mag iedereen in de krant en op een vergadering zeggen wat hij wil; in Indië mocht dat niet! Zoo kwamen er honderden, meer dan duizend man zelfs, in een concentratiekamp, waar ze 5 jaar, 10 jaar, 15 jaar opgesloten zaten, omdat ze vrijheid en zelfstandigheid voor hun land eischten!! Toen kwam in Holland de Tweede Wereldoorlog. De Indonesiërs vroegen voor den zooveelsten keer om eens eerlijk open en breedvoerig over méér rechten-voor-eigen-volk te mogen spreken op een zogenaamde ronde-tafel-conferentie waar dus niemand voorzitter was en niemand de baas zou zijn. ’t Verzoek, in beleefde termen gedaan, werd botweg afgewezen. De Indonesiërs verzochten enkele maanden later dat hun Indonesische jongelingschap ook soldaat zou mogen worden om het Ned. Ind. Leger te helpen versterken. Ze zagen het gevaar dat van Japanse kant elke dag dichterbij kwam. Het verzoek werd afgewezen: misschien zouden die Javanen dan wel met de Jappen tegen de Hollanders vechten. De oorlog kwam: Holland heeft op zee dapper gevochten, buitengewoon dapper; maar dat zagen de Indonesiërs niet. Maar te land? Met uitzondering van enkele bataljons ( op Tarakan, een eilandje ten oosten van Borneo en op enkele plaatsen meer waar dapper gevochten is) heeft het Ned. Ind. Leger zich treurig beschamend gedragen. En Indië, ook de Indonesiër, werd leeggeplunderd. Enkele maanden later gaven de geallieerden een verklaring uit voor alle volken van de wereld, waarin ze het goed recht van dezen Tweeden Wereldoorlog ( tegen Duitsland en Japan) in het oog der wereld rechtvaardigden. In die verklaring stond ook dat de geallieerden vochten voor een wereld, waarin vrijheid van geweten en godsdienst zou heerschen. Enz. enz. De Indonesiërs vroegen of dit ook voor hun land en volk van betekenis was of althans na den oorlog zou zijn. De Goeverneur-Generaal Van Starckenborgh antwoordde: “Nee, dat heeft er niets mee te maken”. Zo zou ik de hele avond door kunnen gaan……
In de tijd waarin de brief werd geschreven, in 1947, was het ruim anderhalf jaar geleden dat de Indonesiërs de onafhankelijkheid hadden uitgeroepen. Dat was twee dagen na de capitulatie van Japan op 17 augustus 1945. Er treedt een gewelddadige periode in waarin Indonesiërs afrekenen met buitenlandse inmenging, de Revolusi-periode of de Bersiap. Onderhandelingen mislukken en Nederland probeert orde op zaken te stellen door ‘Politionele Akties’. De eerste begint op 21 juli 1947, twee maanden na de brief van Albert Wiggers aan zijn Winterswijkse familie. De tweede vindt plaats in 1948. Het waren militaire campagnes om terrein terug te veroveren die de Indonesische vrijheidsstrijders, in de ogen van Nederland ‘opstandelingen, hadden veroverd. Dat ging gepaard met ernstige wreedheden en oorlogsmisdaden.
Albert Wiggers schrijft dat vanaf 1900 er mondjesmaat verbateringen werden ingevoerd. Dat werd ook wel de ‘ethische politiek’ genoemd, ingevoerd door het Kabinet van Abraham Kuyper, waarbij er naar werd gestreefd bij te dragen aan de ontwikkeling van Indië. Het was ook een reactie op de weerstand tegen de exploitatie van Indië zoals die o.m. werd verwoord in de Max Havelaar van Eduard Douwes Dekker (1860). Die ‘ethische politiek’ mislukte omdat die vanuit een koloniale houding, zonder de Indonesiërs er bij te betrekken werd vorm gegeven. Dat aspect vinden we ook terug in de woorden van Albert Wiggers. In de na-oorlogse periode konden met name de Antirevolutionairen geen afscheid nemen van deze benadering en zij verzetten zich tegen het Akkoord van Lingaddjati (25 november 1946) waarin het gezag van de Republiek Indonesia over bepaalde delen van Indonesië werd erkent en er een ‘Verenigde Staten van Indonesië” werd ingesteld dat onderdeel zou uitmaken van de Nederlands-Indonesische Unie. Het akkoord werd gesloten door Wim Schermerhorn, de eerste na-oorlogse premier van Nederland. Hij had samen met Albert Wiggers in het interneringskamp in St. Michielsgestel gezeten. In het kabinet Beel was verdeeldheid over het akkoord en er was verzet. Dat verzet werd geleid door Gerbrandy en ondersteund door Jan Schouten, de leider van de ARP. In 1947 werd het akkoord van Lingaddjati opgezegd en begonnen de Politionele Akties. Onder druk van de internationale gemeenschap, met de Verenigde Staten voorop, werd in 27 december 1949 de soevereiniteitsoverdracht getekend nadat er vanaf 1949 was onderhandeld.
Voorstelbaar is dat de Winterswijkse familie, waarin Abraham Weerkamp een zeker politiek gezag had, verward was over de opvattingen van hun broer, zoon, neef en achterneef. Trouw, het dagblad van de Gereformeerden, schaarde zich achter de Politionele Akties. Hoofdredacteur Bruins Slot schreef “Overheid is overheid, rebel is rebel’. De opstand van de Indonesiërs was tegen Gods wil en dus onrechtmatig. De souvereiniteitsoverdracht in 1949 noemde Trouw “een zwarte dag”.
Als zij zich niet los hebben kunnen maken van die dominante overtuiging in eigen kring, is voorstelbaar dat zij Albert Wiggers zagen als een afvallige. Hoe de verhoudingen waren na terugkeer van Albert en Mien uit Indonesië en hoe de familiegesprekken verliepen in de Atjehstraat 8 in Winterswijk of op de Stegge in Miste , daar heb ik nooit iets over gehoord. Albert Wiggers stierf op 26 april 1968 en Mien in 1986. Albert was Officier in de Orde van Oranje Nassau.
[1] Jan Schouten 1883-1963- politicus en leider van de Anti Revolutionaire Partij, verzetsstrijder en oprichter van dagblad Trouw. Verzette zich tegen de onafhankelijkheid van Indonesië en steunde de Politionele Acties.
[2] H.J. (Huib) van Mook – 1894-1965.